
De werking van de OCMW’s (Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn), is in niets meer te vergelijken met deze van de vroegere Centra voor Openbare Onderstand, waarvan de werking beperkt was tot het verlenen van overlevingsmiddelen, financieel of in natura, aan mensen in nood.
Het moderne OCMW is een uiterst dynamisch activeringsapparaat geworden, dat iedereen een menswaardig bestaan moet verzekeren gericht op de opname in de actieve maatschappij, waar mogelijk. Zo begeleidt het OCMW de leefloontrekker tot werk, kan ze instaan voor vorming en neemt soms de kosten van studies ten laste. Een dergelijk begeleidingsapparaat is bijzonder arbeidsintensief, maar allernoodzakelijkst om de geholpen persoon terug een zekere zelfstandigheid, een optimale kans tot integratie te bieden. Het OCMW heeft hierin dan ook twee primordiale verplichtingen. Een eerste ten aanzien van de maatschappij – haar vertegenwoordigers zijn de federale overheid en de gemeente die de werking bekostigen - door ervoor te zorgen dat alleen hulp geboden wordt zoals voorzien door de wet op het leefloon. Een tweede verplichting is uiteraard de opdracht tot maximale begeleiding die een constant contact met de hulpbehoevende vereist.
De armoede, vooral in onze grootsteden, neemt de jongste jaren soms dramatische proporties aan. Het Brussels Gewest, meer in het bijzonder een aantal gemeenten in dit gewest, zoals Molenbeek, Schaarbeek, Sint-Joost, zijn bijzonder getroffen door deze problematiek. De lokale OCMWs worden bedolven onder steeds groeiende en nieuwe aanvragen. Ook de crisis doet hier geen goed aan.
Wetende dat iedere aanvraag het voorwerp uitmaakt van een verslag, opgesteld door een sociaal assistent van het OCMW, na voorafgaand financieel onderzoek, een huisbezoek en soms verschillende gesprekken met de aanvrager is het duidelijk dat de behandeling van deze dossiers bijzonder arbeidsintensief is. Daarbij dient gezegd dat op geregelde basis de realiteit van de aanvraag opnieuw dient getoetst te worden. Eén aanvraag noodzaakt gemakkelijk vijf à zes ontmoetingen met de aanvrager per jaar, en dit zonder dat andere noodzakelijke controle –of hulpverplichtingen van de maatschappelijk werker in rekening gebracht worden.
De OCMWs hebben drie belangrijke bronnen van inkomsten die van geval tot geval kunnen verschillen, zijnde : terugbetaling door de federale overheid, tussenkomsten van de gemeente en eigen inkomsten (bijvoorbeeld uit onroerende goederen). Deze gemeenten die geconfronteerd worden met een enorme stijging van de aanvragen en dus ook met de werklast voor de sociale assistenten, zijn ook de armsten van het gewest. Het aanwerven van bijkomend personeel , teneinde de dossiers op een doelmatige manier te begeleiden,is dan ook een teer punt. Meestal beperkt men zich momenteel te veel tot de minimale, door de wet voorziene, controle en een oppervlakkige begeleiding die de kans op re-integratie uitermate beperkt of onmogelijk maakt. Dit leidt onvermijdelijk tot een stijging van onrechtmatige aanvragen, niet conform aan de wettelijke vereisten en een absoluut re-integratie deficit, waardoor voornoemde OCMWs onder een nog grotere druk komen te staan.
Een eenvoudig voorbeeld kan dit aantonen ; steeds meer achttienjarigen komen bij het OCMW aankloppen om een leefloon te verkrijgen alsmede een begeleiding in een studieproject, voorhoudend dat zij ofwel in ruzie leven met hun ouders en het huis hebben verlaten, ofwel deze laatsten niet de mogelijkheid hebben bij te dragen tot de kosten van de studies. Bij dergelijke aanvragen moet vooreerst nagegaan worden of er wel degelijk een breuk bestaat die de ouders zou ontheffen van hun bijdrageplicht. Eveneens dient een onderzoek te gebeuren naar de kredietwaardigheid van de ouders en hun mogelijkheid om alimentatiegeld te betalen voor hun kind. Dikwijls moet een huurwaarborg verleend worden aan de aanvrager en zou er eigenlijk overlegd moeten worden teneinde na te gaan of zijn/haar studiekeuze verantwoord is. Zoals gezegd, betekent dit een enorme bijkomende werklast.
Er zijn dan ook indicaties dat door dit gebrek aan controle worden wellicht leeflonen voor schoolverlaters al te lichtzinnig worden toegekend. Hiermee bewijst men niemand een dienst.
Voor de federale overheid en gemeenten betekent dit dat de ter beschikking gestelde middelen onrendabel of soms oneigenlijk worden gebruikt. Aan deze vicieuze cirkel moet paal en perk worden gesteld.
De federale overheid moet initiatieven nemen teneinde met de noodlijdende OCMWs duidelijk afgelijnde, en in de tijd beperkte maatregelen voor de stellen, waarbij een verhoogde controle gekoppeld wordt aan duidelijke en meetbare sociale resultaten. Zo nodig kunnen bijkomende middelen voorzien worden teneinde een tijdelijke aanwerving van extra personeel mogelijk te maken. In voorkomend geval is een doelgerichte en individuele begeleiding van de voornoemde OCMWs de enige borg tot een doelmatig activerings- en integratiebeleid en het doorbreken van de armoedespiraal.
Sven Gatz Jean-Luc Vanraes
Fractievoorzitter Open Vld Fractievoorzitter Open Vld
Vlaams volksvertegenwoordiger voor Brussel Brussels volksvertegenwoordiger
Voorzitter ocmw Ukkel
|