
Het verslag uit de Commissie Brussel en de Vlaamse rand van 17 april kan je hier lezen
Vraag om uitleg van Sven Gatz aan de heer Bert Anciaux, Vlaams minister voor Brussel, over de geplande woonzorgzones in Brussel.
Iedereen is het er over eens dat de zorg- en welzijnsverlening in Brussel aan een Vlaamse inhaalbeweging toe is. Om daaraan tegemoet te komen, werd door de Vlaams minister voor Brussel het concept van de “woonzorgzone” geïntroduceerd, wat door de minister omschreven wordt als “een deelgebied waarin optimale voorwaarden zijn geschapen voor het wonen met zorg. Het gaat om aangepaste woningen, eventueel nieuw te bouwen, in combinatie met reeds bestaande en nog te creëren voorzieningen voor wonen en verzorging. De nodige zorg-, breng- en haalfuncties worden in dat deelgebied aangeboden.”
Het plan bestaat erin om het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in te delen in 33 woonzorgzones, waarin telkens een “zorgknooppunt” aanwezig is dat instaat voor de informatie, coördinatie en organisatie van een aantal zorgdiensten. Dit plan heeft de verdienste een alomvattende poging te zijn, het welzijn en de zorg voor Nederlandstaligen in Brussel naar een hoger niveau te tillen. Het werd voorgelegd aan de Vlaamse regering.
In 2006 werd door de Minister een “woonzorgplanner” aangesteld, een aantal weken geleden werd het “Kenniscentrum Woonzorg” actief.
Maar ik heb toch een aantal vragen bij dit zeer ambitieuze project:
De intentie van dit plan is alle Vlaamse zorgverstrekkers in te passen in de structuur van een woonzorgzone. De woonzorgzone voorziet “de bakstenen”, bijvoorbeeld een rusthuis met enkele kangoeroewoningen. De zorgverlening (op afstand) zelf ligt echter volledig in handen van de reeds bestaande zorgverstrekkers in Brussel, erkend door de Vlaamse Gemeenschap.
Het is dan ook niet meer dan normaal dat deze zorgverstrekkers (vzw Seniorencentrum, vzw Brusselse Welzijns- Gezondheidsraad en actoren in het veld) bij de strategische planning en uitvoering betrokken wordt. Dat moet gebeuren via de werkgroepen met de “woonzorg-planner”, door de interministeriële stuurgroep samengesteld.
Heeft de minister een all-in-one studie laten maken naar de noden voor Nederlandstalige zorgbehoevenden in Brussel?
Nemen we nu bijvoorbeeld de zorg voor nederlandstalige bejaarden. zijn er in de toekomst wel extra plaatsen nodig? Hoe kan – om investeerders voor een Privaat-Publieke-Samenwerking aan te trekken – de rendabilileit van een nederlandstalig rusthuis binnen een woonzorgzone gegarandeerd worden?
Wie draagt de finale verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de woonzorgzone, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, het departement Welzijn van de Vlaamse gemeenschap of de Minister voor Brussel? Zelfs voor de actoren in het veld is dit zeer onduidelijk.
Wordt er een protocol voorzien tussen de betrokken ministers van Welzijn, Brussel of Onderwijs?
Te vrezen is dat door het Top-Down opzet van deze woonzorgzones, de vrijheid en onafhankelijkheid van de zorgorganisaties en zorgverleners in het gedrang komt, door ze te verplichten een aantal woonzorgzones te bedienen of zich met één of ander rusthuis of te verbinden. Is dat zo?
En eens de woonzorgzone opgericht, wordt er een minimale dienstverlening aan de Brusselse burger gegarandeerd? Hoe zou dat geformaliseerd worden?
Het valt op dat aan de samenwerking met de Brusselse OCMW’s geen woorden worden vuilgemaakt. Zij zouden ongeïnteresseerd zijn en niet over voldoende kennis van het Nederlands beschikken. Nochtans is deze samenwerking belangrijk, het kan toch niet de bedoeling zijn een tweede “Vlaams” OCMW te creëren in Brussel als een soort van inefficiënte, parallelle dienstverlening? Werd eigenlijk de moeite gedaan om de Brusselse OCMW’s uitvoerig te briefen over dit project? Ik heb weet van minstens één OCMW dat tot nu toe niet werd aangesproken maar zeker wél interesse heeft om samen te werken.
De financiering van de woonzorgzones, zoals die voorlopig gepland staat, zou komen uit het Vlaams Brusselfonds, het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Om middelen uit het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden voor dit project te kunnen inschakelen, is er een protocol met de Vlaams minister voor Welzijn en Gezondheid nodig. Hoever staat het daarmee?
Momenteel zijn er 4 kleinere projecten gepland en in opstart, voor 4 grotere projecten zegt de minister met een Privaat-Publieke-Samenwerking-structuur te werken. Waaronder het project in Anderlecht, een “nursing unit” en een lokaal dienstencentrum zijn gepland. Hoever staat het met de zoektocht naar private partners in dit project? Kan de minister toezeggingen van kandidaten voorleggen? Het project Ganshoren zou geblokkeerd zitten. Welke acties wil de Minister ondernemen om dit vlot te trekken of naar welke alternatieven wordt er gezocht?
Een ander groot project, “Sint-Pieter en Sint-Pauwel” betreft de bouw van een nieuw gemeenschapscentrum met Nederlandstalige bibliotheek, naast een dagverzorgings- centrum, Lokaal Diensten Centrum en een aantal woning voor de Stad Brussel. Hoe zal, heel concreet, de financiering hiervan gebeuren. Op een mondelinge vraag van de heer Delva maakte u gewag van een ruilkoop. Waaruit bestaat het eisenpakket voor de private partner? Heeft u al namen van private partners die interesse getoond hebben?
Het opzetten van de zorg en de financiering ervan in de woonzorgzones op lange termijn is heel onduidelijk: volgens de schatting van de “woonzorgplanner” zijn er ongeveer 150 zorgverstrekkers extra nodig die deze gebouwen zullen bemannen of gebruiken bij het verstrekken van de zorg. En per woonzorgzone wordt gewag gemaakt van een “zorgcoach”, een “wooncoach”, een “zorgplancoördinator” en een “zorgbemiddelaar”. Wat betekenen deze functies en is hun relevantie aantoonbaar?
Is het aan de zorgverleners en –organisaties zelf om, eens een woonzorgzone wordt opgericht, op zoek te gaan naar de financiering van de selectie, opleiding en aanwerving van het nodige personeel? Wat voor een contract krijgen deze mensen aangeboden?
Indien het aan de zorgverenigingen zelf toekomt om het personeelsbeleid te voeren, krijgen zij de garantie op recurrente financiële steun en vanwaar zullen deze komen?
Aangezien het hier om knelpuntberoepen gaat en men mensen nodig heeft die het Nederlands machtig zijn, hoe denkt de minister deze 150 mensen te vinden en aan te trekken?
Wat de kennis van het Nederlands van dat personeel aangaat, zouden er plannen zijn om zelf deze mensen Nederlands te aan leren. Hoe zou dat in zijn werk gaan? Wie betaalt voor die opleidingen?
Werd de optie – extra lessen Nederlands in de bestaande (nederlandstalige en franstalige) hogescholen met opleidingen in de zorgsector – overwogen?
Het nieuwe Kenniscentrum Woonzorg werd opgericht onder de koepel “De Overmolen vzw”, zo stond te lezen in de aankondiging van de Woonzorgzones. Wat houdt dat precies in? “De Overmolen vzw” vervult zelf een patrimoniumfunctie en investeerde in huisvesting. Stelt zich hier geen probleem van belangenvermenging?
De oprichtings- en werkingskosten van dit kenniscentrum worden betaald door een ad hoc financiering voor één jaar van € 142.000 door het Vlaams Brusselfonds. Hoe zal de financiering gebeuren na dit eerste jaar?
Het Kenniscentrum Woonzorg heeft de volgende ambitieuze opdracht meegekregen: opvolgen van de ontwerpfase van de projecten, bouwkundig advies, raadgeving bij de interprestatie van de regelgeving, begeleiding wooncoaches, intermediair voor de privé-industrie voor het afsluiten van contracten voor technische aanpassingen, het uittekenen van een strategie inzake opleiding en rekrutering, etc… Werkgroepen werden ondertussen opgericht. Wanneer mag men de eerste concrete en unieke resultaten van het nieuwe Kenniscentrum Woonzorg verwachten?
Sven Gatz
Vlaams volksvertegenwoordiger voor Brussel
Fractieleider Open Vld
|