
Gaat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel ten onder aan zijn eigen succes? Een pertinente vraag die een beetje hoofdstedelijk politicus met verantwoordelijkheidszin vandaag niet uit de weg kan gaan. Toch is het geen goed idee om hierbij aan nestbevuiling te doen. Problemen onderkennen zonder ze op te blazen en tegelijk oplossingen aanreiken, daarvoor doen we aan politiek.
Veel van onze scholen zitten vol, jonge Brusselse Vlamingen (maar zij niet alleen) klagen dat er voor hun kinderen geen plaats meer is in de klas. Hoe is dat gekomen? Toen ik nog geen volksvertegenwoordiger maar een Brussels ketje zonder zorgen was , zat ik in de jaren ’70 en ’80 in kleine klasjes met bijna uitsluitend ‘witte’ kinderen die thuis Nederlands spraken. Vandaag zitten mijn drie kinderen in dezelfde scholen in behoorlijk volle klassen, met veel kleur en veel thuistalen. Tussen haakjes, wij hebben soms de neiging om die nieuwe situatie te (over)dramatiseren, voor onze kinderen is het gewoon de wereld waarin zij leven. Gelukkig maar. Om die groeiende taalheterogeniteit en multiculturaliteit te managen hebben de Vlaamse Gemeenschapscommissie van Brussel en de Vlaamse regering de laatste twintig jaar gestaag en over zowat alle partijgrenzen heen een hele reeks pedagogische maatregelen genomen. Misschien niet altijd snel genoeg, misschien niet altijd even accuraat, maar ze hebben wel zoden aan de dijk gebracht. Voor het overgrote deel van de kinderen, zo leert ons de permanente monitoring, bereiken we een meer dan behoorlijk peil in hun laatste jaar van het lager of secundair onderwijs. Maar het kan en moet nog beter.
Sommigen doen het voorkomen alsof de groei in onze Vlaams-Brusselse scholen uitsluitend te wijten is aan het actieve promotiebeleid dat we de laatste jaren voor de kwaliteit van ons onderwijs gevoerd hebben (in combinatie met de deplorabele toestand waar veel Franstalige scholen in de hoofdstad zich bevinden). Dat is gedeeltelijk juist. Maar vandaag worden we zonder meer ingehaald door de demografische groei in Brussel. Daarover bestaat uitstekend onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel. Als we nu, vandaag, niets ondernemen zal er dus in 2015 geen plaats zijn in om het even welke klas (Frans- en Nederlandstalig dooreen) voor 15.000 leerlingen.
Het is dus geen optie om te zeggen dat onze scholen ‘vol’ zijn en verder niets te ondernemen. Het is evenmin een wijs inzicht te stellen dat ‘al die anderstalige kinderen beter in het Franstalig onderwijs thuishoren’. Wij hebben als Vlaamse gemeenschap in Brussel een maatschappelijke, zelfs ethische opdracht om alle kinderen die goed onderwijs willen in onze scholen toe te laten. Omgekeerd hebben we er echt geen belang bij om op onszelf terug te plooien.
Maar wat met de kinderen die wel nog Nederlands als thuistaal hebben? Moeten die voorrang hebben om zich in een Vlaams-Brusselse school in te schrijven? Het Gelijke Onderwijskansendecreet had de bedoeling om alle kinderen in Vlaanderen en Brussel dezelfde kansen te geven om zich in een school naar keuze in te schrijven. Om wachtrijen te vermijden (die er in een aantal scholen ook al voor het decreet waren, sommige scholen zijn nu eenmaal, terecht of ten onrechte, populairder dan andere) is er gekozen voor een elektronisch aanmeldingssysteem. Ideaal is dat niet en na de technische perikelen in Brussel heeft mijn geloof in de digitale samenleving een fikse deuk gekregen, maar een beleid moet nu eenmaal een praktisch systeem vinden dat gelijke startkansen waarborgt. Het is een kwestie van rechtvaardigheid en operationaliteit af te wegen. Kanttekening: die absolute gelijkheid wordt meteen genuanceerd door voorrangsregels voor broertjes en zusjes, Nederlandstalige kinderen in Brussel en voor kansarme kinderen en buurtkinderen. Ik ben van oordeel dat we de voorrang die Nederlandstalige kinderen nu al hebben moeten uitbreiden, maar dan niet op basis van de zogenaamde ‘verklaring op eer’ waarbij een ouder zegt Nederlandstalig te zijn, zoals we die vandaag kennen en waar helaas te veel misbruiken werden bij vastgesteld, maar wel op basis van een weerlegbaar vermoeden van Nederlandstaligheid dat door de directie in een normaal inschrijvingsgesprek kan nagegaan worden. Zo vergroot je ook weer de rol van de school in het hele inschrijvingsbeleid waarin zij zich nu soms lijdend voorwerp voelen.
Maar de kern van de zaak blijft de veranderde en veranderende bevolkingssamenstelling in Brussel en in andere steden zoals Antwerpen en Gent en zelfs in heel Vlaanderen. It really is the demography, stupid! Het is dus absoluut geen goed idee met de softpopulistische argumenten, waar onderwijsminister Pascal Smet nu mee komt aandraven, enkel de kleine groep Nederlandstalige ouders ter wille te zijn en aan de grote groep anderstalige ouders eigenlijk te zeggen dat er voor hen wel plaats is in het Franstalig onderwijs. Ik vind dit echt betreurenswaardig, la flamandisation tragique d’un cosmopolite bruxellois… . Lijdt Brusselaar Smet in de Vlaamse regering soms aan het Stockholmsyndroom? Ik verwacht van een visionair beleidsvoerder meer verantwoordelijkheidszin en drie concrete dingen. Op korte termijn moet hij de inschrijvingscriteria voor Brusselse Vlamingen herbekijken en ik gaf hierboven een constructieve insteek, maar er zijn wellicht nog andere pistes denkbaar. Daarnaast moet hij, even snel, met de onderwijsminister van de Franse Gemeenschap tot een afspraak komen om te zien hoe beide gemeenschappen samen goed onderwijs en voldoende plaats in de klas kunnen bieden aan alle Brussels kinderen, vandaag , in 2015 en daarna. Dat veronderstelt dus capaciteitsuitbreiding én nieuwe scholen.
En –derde punt- als hij dan toch met zijn Franstalige evenknie rond de tafel zit, waarom dan niet meteen bekijken hoe beide taalnetten know how kunnen uitwisselen om de meertaligheid in het hoofdstedelijk onderwijs te bevorderen en om samen aan een onderwijsaanbod te timmeren dat een antwoord geeft op de vraag hoe we in de Brusselse school van de 21e eeuw zien.
Sven Gatz
Vlaams volksvertegenwoordiger voor Brussel
Fractievoorzitter Open vld |