Voorstel van decreet
houdende wijziging van het artikel 55 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wat de vakken godsdienst en niet-confessionele zedenleer betreft.
TOELICHTING
Algemene toelichting
Zowel in het basis als in het secundair onderwijs bestaat het lessenpakket uit normaliter twee uur vorming per lesweek in één van de erkende godsdiensten of in de niet-confessionele zedenleer. Anno 2010 zijn er 6 erkende godsdiensten: Anglicaanse godsdienst, Islamitische godsdienst, Israëlitische godsdienst, Katholieke godsdienst, Orthodoxe godsdienst en de Protestantse godsdienst.
Het principe om een vrije keuze te kunnen maken uit de verschillende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer is een juridisch sterk verankerd recht, waar niet aan geraakt kan en mag worden. Anderzijds moet men vaststellen dat in een steeds complexer wordende maatschappij, geïnspireerd door de mondialisering, een goede wederzijdse kennis en begrip van andere godsdiensten of van de niet-confessionele zedenleer in belangrijke mate bijdraagt tot de zelfontplooiing en maatschappelijke visie van iedere jongere. Het nut van een basiskennis vergelijkende godsdienstwetenschappen gunt jongeren de kans om maatschappelijke en religieuze fenomenen binnen het hedendaagse maatschappelijke bestel te kunnen kaderen.
De indiener van dit voorstel van decreet wil daarom in de derde graad van het secundair onderwijs tijdens minstens de helft van de aangeboden uren godsdienst of niet-confessionele zedenleer, de andere erkende godsdiensten uitgebreid aan bod laten komen. Wie bijvoorbeeld gekozen heeft om les te krijgen in de Katholieke godsdienst, zal dus nog steeds les over krijgen, maar voor de helft van de voorziene uren “godsdienst” zullen de andere strekkingen aan bod komen. De lesinhoud moet gegeven worden door iemand die hierin is opgeleid, dit kan een theoloog, een erkende beoefenaar van een specifieke godsdienst, alsook een filosoof zijn, die gedurende zijn opleiding hierover de nodige bagage heeft over opgedaan.
Het is dus niet de bedoeling van het voorstel om het totale aantal wekelijkse uren les terug te dringen van twee naar één uur. Het is wel de bedoeling om voor de helft van de voorziene lesuren te vertrekken vanuit de religie of te vertrekken vanuit de niet confessionele zedenleer om op basis daarvan de verschillende godsdiensten te vergelijken binnen de huidige maatschappij. Het is daarenboven ook niet de bedoeling om die opsplitsing van uren per week te zien, het geheel dient op jaarbasis aan de voorwaarden te voldoen, dit anders stellen zou een slechte verkapping van het leerplan inhouden.
Het voorstel houdt ook enkel een wijziging in voor de derde graad van het secundair onderwijs. Zo blijft het mogelijk om in het basisonderwijs en de eerste twee graden van het secundair onderwijs eerst ten volle kennis op te doen van de religieuze stroming of om genoeg basiskennis op te doen van de niet-confessionele zedenleer, alvorens men vergelijkend tewerk gaat.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen commentaar.
Artikel 2
Deze kleine aanvulling voorziet dat in de derde graad van het officieel secundair onderwijs minstens de helft van de voorziene lesuren godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer aangewend moeten worden om de scholieren kennis te laten maken met de andere erkende godsdiensten.
Artikel 3
Deze aanpassing is noodzakelijk om ook in het vrij gesubsidieerd onderwijs in de derde graad van het secundair onderwijs godsdienstvergelijking met de andere erkende godsdiensten te voorzien.
Artikel 4
Dit artikel behoeft geen commentaar.
VOORSTEL VAN DECREET
Artikel 1
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Artikel 2
In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt in artikel 55 onder de §§ 4, 5 en 6 het eerste streepje telkens als volgt vervangen: “godsdienst of niet-confessionele zedenleer waarvan minstens de helft van de voor dit vak voorziene lesuren besteed dient te worden aan de godsdienstvergelijkende wetenschap van de andere erkende godsdiensten, dit binnen het huidig maatschappelijk kader;”
Artikel 3
In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt in artikel 55 § 8 als volgt vervangen: §8. Voor de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen is het eerste vak van §§ 1, 2, 3 en 7: -godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. Wat betreft de §§ 4, 5 en 6 is het eerste vak: - godsdienst of niet-confessionele zedenleer waarvan minstens de helft van de voor dit vak voorziene lesuren besteed dient te worden aan de godsdienstvergelijkende wetenschap van de andere erkende godsdiensten, dit binnen het huidig maatschappelijk kader;”
Artikel 4
Dit decreet treedt in werking op 1 september 2010.
|