It’s lonely at the top

25 juni 2010
Sven Gatz


Bon, iedere partij moet zijn problemen oplossen en voor eigen deur vegen. Over Thyssen, Leterme et les autres zal ik het hier dus niet hebben. A chaque parti sa peine.

Toch blijft het intrigerend om te zien hoe en in welke omstandigheden de voorzitster van CD&V de handdoek in de ring wierp. Het was in elk geval een eerlijke en authentieke mededeling, zoals we van haar gewoon zijn. Het was over, het was op.

Om dat beter te begrijpen zal ik proberen hieronder een zeker inzicht te geven van wat het betekent in de nationale politiek in de schijnwerpers te staan. Je kan dat namelijk op drie verschillende manieren: als parlementslid, als minister of als partijvoorzitter.

Als je parlementslid bent, heb je eigenlijk een relatief grote vrijheid. De helft van je tijd moet je besteden aan commissie- en plenaire vergaderingen in het parlement zelf en aan partijbijeenkomsten. Dat betekent dat de andere helft open staat. Je kan die invullen met de opbouw van eigen dossiers, met het lanceren van nieuwe politieke thema’s, met allerlei contacten, je kan een boek schrijven (waarom niet?) of je kan die tijd besteden als schepen of burgemeester. Feit is wel dat je alleen politiek relevant kan zijn of worden als je voltijds politicus bent. Daarbij komen nog de avond- en weekendverplichtingen gaande van pensenfeesten over de opening van een tentoonstelling tot het bijwonen van een voetbalmatch of een kermiskoers. Je moet af en toe wel wat media-aandacht bijeen krabben en je mag daarbij niet te kieskeurig zijn. Maar je behoudt wel overzicht, je kan je eigen agenda nog beheren. Een engagement van 90% en meer is vereist maar je spaart nog een klein potje privétijd op, als je dat goed inplant.

De druk wordt weer wat groter als je minister wordt. Je houdt je met een veel minder wijd spectrum bezig dan als je parlementslid bent, maar wel zeker dubbel zo intens op het redelijk afgebakend speelveld van je ministeriële bevoegdheden. Je brengt je dagen door met het beantwoorden van parlementaire vragen, met het ontvangen van allerlei mensen en lobbyisten die je ‘absoluut’ willen zien, en met het voorbereiden en uitvoeren van concrete beslissingen samen met je kabinetsmedewerkers en ambtenaren. Een permanente inspanning van zo goed als 100% is hier vereist. Je houdt nog een heel klein beetje tijd voor jezelf over maar daar staat tegenover dat je doet wat je graag doet en dat je veel belangstelling krijgt in kranten, op radio en TV. En dat je het gevoel hebt dat je iets kan veranderen.

En dan is er het nec plus ultra, het partijvoorzitterschap. Met 110% tijd kom je nauwelijks toe, je wordt geleefd. Je krijgt zoveel media-coverage dat je dit goed moet organiseren, want anders loop je in de val dat je denkt dat elk interview alleen maar een kans is om te scoren terwijl het voor partijvoorzitters elke keer ook weer een gelegenheid is om een statement te maken waarop je later evengoed meedogenloos afgerekend wordt. Daarnaast zit iedereen constant naar jou te kijken om te zien in welke richting de partij moet marcheren, welke thema’s ze best bespeelt, welke mensen ze daarvoor best gebruikt en welke ze omgekeerd moet ontgoochelen. Het people-management waarmee je als partijbons af te rekenen krijgt is letterlijk eindeloos: van de ministers die je kiest tot een lokale ruzie in een piepkleine afdeling die je mag beslechten. Je maakt veel tijdelijke vrienden (rijen dik, echte vrienden) maar je maakt misschien nog meer vijanden, meer in dan wel buiten je partij. Je wordt geliefd en gehaat tegelijk. Je moet zeer sterk in je schoenen staan om daar mee om te gaan, want het duurt geen week, geen maand, maar het houdt nooit op. Jamais.

Iedereen kan in onze democratie letterlijk en figuurlijk parlementslid worden, maar goede volksvertegenwoordigers zijn dan weer niet zo dik gezaaid.

Minister kan je worden met een beetje talent, met een beetje handigheid, met een beetje geluk, maar vooral door lang en hard te kunnen blijven werken. Je moet sterk als een os zijn.

Partijvoorzitter word je omdat je zelf kandidaat was of omdat je gevraagd werd. Partijvoorzitter blijf je enkel, als er een klein psychopathisch kantje in je zit. Je bent niet beter als partijvoorzitter omdat je slimmer bent dan anderen, wel omdat je sluwer bent en vooral omdat je zoveel harder kan ‘willen’ dan de anderen. En dat je het altijd beter denkt te weten, helpt beslist ook.

Als dat niet in je zit, heb je op die plek niets te zoeken. Dan wordt het schadelijk voor je welzijn en je gezondheid.

Ik wens Marianne Thyssen het allerbeste en hoop dat ze weer het uitstekende Europees parlementslid mag worden dat ze al was.