Brussel: armoede als stedelijk gegeven

19 oktober 2001
Sven Gatz

(Bijdrage op het "Colloquium over de Middelen en het Beleid ter bestrijding van armoede in de Regio's van de Europese Unie" georganiseerd door het Brussels Parlement en het Comité van de Regio's, 18 en 19 oktober 2001 in het Europees Parlement)

Dames en heren,

Is er armoede in Brussel? Veel! Maar ook een beetje zou al te veel geweest zijn. Welvaartsstaten, sociale verzorgingsstaten, zoals België hebben een doeltreffend socialezekerheidssysteem uitgebouwd dat alle inwoners moest beschermen tegen de risico's die tot armoede lijden: werkloosheid, ziekte, arbeidsongevallen, ouderdom, zware gezinslast ... Maar in een nog bredere betekenis maken ook beleidsdomeinen als onderwijs, huisvesting, cultuurparticipatie ... deel uit van een lang, niet limitatief lijstje van beleidsdomeinen die de burgers tegen potentiële armoede moeten indekken.

Arm noemen wij dan diegenen die ondanks dit verfijnd systeem aanspraak moeten maken op het bijstandsvangnet. Hun aantal ligt in de steden, en dus ook in Brussel, hoger dan het nationaal gemiddelde. De anonimiteit van de stad trekt armoede aan. Maar dit verklaart zeker niet alles. In vele opzichten lijkt de stad, of eerder nog delen van de stad een sociaal risico op zich te vormen. De armoede is er ruimtelijk afgebakend en "erfelijk", niet in de zin van biologische wetmatigheden maar in de zin van sociale wetmatigheden, in de zin van kans-armoede. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en haar beide gemeenschappen, zijn zeer actief in de strijd tegen armoede. De vraag die ik vandaag wil stellen, is: is er een typisch stedelijk mechanisme van kansarmoede of potentiële armoede en hoe kan het stadsgewest Brussel daar binnen haar bevoegdheden op inspelen?

Brussel is zeker niet de armste regio van Europa. Het is zeker mijn bedoeling niet om een apocalyptisch scenario uit te tekenen. Het internationaal karakter van Brussel heeft de stad ook welvaart en kansen bijgebracht.

Toch volstaat het om de metro te nemen in bijvoorbeeld Stokkel richting Bizet en even terug naar lucht te happen in Tomberg en Zwarte Vijvers om te beseffen dat Brussel wel degelijk uit duidelijk sociale tegenstellingen bestaat. De ongelijkheden zijn in Brussel ruimtelijk herkenbaar.

Dit is uiteraard niet enkel een indruk. De ruimtelijke concentratie van armoede in Brussel werd o.a. door Professor Kesteloot in zijn "Armoedeatlas van Vlaanderen en Brussel" op een schrijnende, maar ook duidelijke wijze weergegeven. In deze atlas heeft hij ook Brussel wijk per wijk ingekleurd aan de hand van gegevens van de volkstelling, de personenbelasting en het Nationaal Instituut voor Statistiek.

Zonder alle resultaten van dit onderzoek te herhalen wil ik toch even een aantal parameters toelichten die wijzen op armoede in welbepaalde delen van de stad.

Vooreerst is er het onderwijs: minder voortgezet onderwijs, meer technisch en professioneel onderwijs, minder universitair onderwijs in de buurten in de kanaalzone, het westelijk deel van de vijfhoek en een groot deel van de XIXe eeuwse gordel rond het centrum. De tewerkstellingssituatie vloeit voort uit het eerste: in diezelfde buurten ligt het werkloosheidscijfer hoger dan gemiddeld en de gemiddelde lonen lager. Het valt ook op dat er in die buurten veel minder mensen dan gemiddeld in de beter betaalde werksectoren zoals het bank- en verzekeringswezen werken. Diezelfde buurten tellen een proportioneel veel hoger aantal "niet-Europese migranten". De combinatie werkloosheid, lage scholing en vreemde afkomst zijn in Brussel dus ook ruimtelijk herkenbaar.

Uit onderzoek naar het gemiddeld inkomen in België blijkt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een aantal gemeenten telt bij de rijkste van het land, maar anderzijds ook de armste gemeenten telt. Al bij al blijft de financiële solidariteit tussen de gemeenten van het gewest gebrekkig. Er is dus minder politieke beleidsruimte in de gemeenten met de armste buurten.

In deze armste buurten wonen dan weer een significant hoger aantal jongeren dan in de rest van het gewest. We moeten goed beseffen dat daar in grote mate de toekomst van het gewest woont. De concentratie op basis van ethnische afkomst heeft dan weer geleid tot buurtvoorzieningen en instellingen op etnische basis, die wel sympatiek kunnen zijn, maar die de inwoners blijvend aan die buurten binden en de spreiding over de stad afremmen. Het gebrek aan politieke inspraak, omwille van de hoge concentratie van niet-Europese vreemdelingen in deze buurten en het uitblijven van het gemeentelijk stemrecht op basis van verblijf i.p.v. nationaliteit, maakt dat de publieke voorzieningen en publieke investeringen in deze wijken achterwege blijven. Ze lonen electoraal niet.

Wat de huisvesting betreft dienen we vooral op te merken dat de sociale huursector die hier een antwoord op zou moeten bieden in Brussel, zeker in vergelijking met andere Belgische steden, veel te beperkt is om aan de behoeften te voldoen, laat staan om op de huurprijzen en de kwaliteit te kunnen wegen. De huurprijs van de sociale woningen blijft te duur voor de laagste inkomens. Deze categorie van mensen zoekt huisvesting in de residuaire huursector of worden wat men noemt "noodkopers", de aankoop van een min of meer verloederde woning als goekoper alternatief op te hoge huurprijzen. In ieder geval wordt de huisvestingssituatie gekenmerkt door weinig basisconfort en is dit type huisvesting weerom geconcentreerd in de buurten langs de kanaalzone en de XIXe eeuwse gordel rond het centrum.

Is dit een typisch Brusselse situatie? Is dit een typisch stedelijk fenomeen? Vooreerst, en voor alle duidelijheid, ik heb niet gezegd dat iedre inwoner uit deze wijk laaggeschoold, werkloos, migrant en slecht gehuisvest is. Onderzoek toont aan dat dit profiel wel op significante wijze meer aanwezig is in bovenvermelde buurten. Volgens de atlas van Professor Kesteloot wonen 9% van de huishoudens in Brussel in zeer kansarme buurten, tegen amper 0.4% in Vlaanderen. 39% van de Brusselse huishoudens woont in gewone kansarme wijken, tegen amper 4% in Vlaanderen. Dit betekent niet dat 39% van de Brusselaars arm zijn, wel dat hun omgeving potentieel tot armoede aanzet. Het is dit laatste dat typisch stedelijk is: de concentratie van armoedefactoren, een zekere vorm van ruimtelijk determinisme in de armoedelogica.

Wat het beleid t.a.v. de armoedeproblematiek betreft in Brussel wil ik duidelijk zijn: de prioriteit ligt nog steeds op onderwijs, op participatie op de arbeidsmarkt, op een goed preventief gezondheidsbeleid, enz. ... maar ook op politieke participatie van alle inwoners en dus uitbreiding van minstens het gemeentelijk stemrecht.

Maar er is m.i. meer te doen dan enkel dit. "A policy for the poor is a poor policy" is een bekend adagium. Wat ik hiermee bedoel is dat een armoedebeleid zich niet enkel mag fixeren op de armoede zelf, maar ook een algemeen beleid moet zijn dat kansarmoede, het risico op armoede sterk indijkt. Wat een stadsgewest als Brussel betreft denk ik dat de vicieuze cirkel van ruimtelijke concentratie van armoede doorbroken moet worden. Diversificatie, een evenwichtig stadsweefsel moet dan het opzet worden van een "urbanistisch" beleid in Brussel. En er dienen zich hiertoe kansen aan. Ik citeer Professor Kesteloot in zijn studie over armoede in Brussel: "De dubbele Brusselse evolutie, met enerzijds de toename van Belgen van migrantenorigine in achtergestelde buurten, en anderzijds de toename van vreemdelingen met relatief hoge inkomens daarbuiten (hij bedoelt de "internationale inwoners" of "expats" die hier werken aan internationale instellingen of in multinationals), creëert nieuwe politieke kansen om de tweeledigheid (de arm / rijk tegenstelling bedoelt hij) van de stad te bestrijden". De eerste groep zal volgens Kesteloot vroeg of laat electoraal wegen en het beleid bijsturen, de tweede groep zorgt daarentegen voor kapitaalsinjectie.

Ik zou even willen ingaan op die tweede groep: de zogenaamde "rijken" als een kans in een armoedebeleid. Ik wil hier op ingaan omdat m.i. die trend naar inwijking breder is dan enkel de "expats" en dat het ook alles te maken heeft met diversificatie en huisvestingsbeleid in Brussel en met multiculturaliteit van ons gewest.

Eerst was er de stadsvlucht: De revolutionaire evolutie van de mobiliteit en de "democratisering" van het autobezit gaven na de tweede wereldoorlog zette vele stadsbewoners aan om zich in de groene rand te vestigen. Meer auto's in de stad, grote infrastructuurwerken om koning auto tot diep in het centrum te laten doordringen zorgden dan weer voor kaalslag en stadsverloedering en zo had de Brusselaar nog een reden meer om de stad te verlaten.

Dan zijn er de nieuwe stadsbewoners: We zien vandaag dat er toch behoorlijk wat nieuw bloed naar de stad komt. Enerzijds heeft men een grote groep allochtonen die in belangrijke mate de autochtone "stadsvluchtelingen" vervangen hebben. Anderzijds is er sprake van wat men in wetenschappelijke literatuur "gentrification" noemt. Dit is de vervanging van bewoners van een wijk, in oudere stadsdelen, door meer kapitaalkrachtige inwijkelingen. De nieuwe Brusselaars, zowel de allochtone groep als de relatief welstellende inwijkelingen hebben, naast vele verschillen, één ding gemeen: de multiculturaliteit. De aanwezigheid van allochtonen is juist de reden waarom we sedert een tiental jaren over de multiculturele maatschappij spreken. De gentrification-immigranten komen juist naar Brussel o.m. omdat zij graag in een multiculturele omgeving willen wonen als bewuste keuze of als een vanzelfsprekend gegeven. We merken dan ook dat vele nieuwe inwijkelingen ruime woningen gaan zoeken in de kanaalzone en in de XIXe eeuwse gordel, dus in de kansarme buurten die we hierboven hebben beschreven. Zij verschillen grondig van diegenen die de stad ontvlucht zijn. Het is zeker zo dat zij die uit Brussel weggetrokken zijn dit wellicht om een amalgaam van zeer uiteenlopende redenen gedaan hebben, maar evenzeer is het m.i. zonneklaar dat velen onder hen de wijk genomen hebben omdat Brussel hen te multicultureel geworden is.

Hier begint dus een nieuwe scheidingslijn in wat men de grote stadsgemeenschap Brussel zou kunnen noemen (het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de omliggende gemeenten in een straal van 20 à 25 km errond). Waar ze vroeger een ruimtelijke (stad -platteland) en economische (stad is welvarend - platteland minder) scheiding had, krijgt ze er nu een etnische en culturele bovenop. In de stad wonen dus eerder mensen die de multiculturele samenleving als uitgangspunt nemen, terwijl errond de bewoners - misschien eerder stilzwijgend - dit soort maatschappij niet aanvaarden.

Dit is een pijnlijke vaststelling, maar deze nieuwe stedelijkheid kan ook een nieuwe kans betekenen voor Brussel. Het kan juist bijdragen, indien juist bijgestuurd, tot het doorbreken van de ruimtelijke concentratie van kansarmoede in het gewest.

Een woonbeleid heeft daarom drie grote doelgroepen.

1) Vooreerst moeten er nog steeds inspanningen geleverd worden om de verdere stadsvlucht tegengaan: de autochtone bevolking die van oudsher in de stad woont overtuigen hier te blijven wonen. Dit vergt naast vele maatregelen om de woonkwaliteit te bevorderen en het soms negatief imago te doorbreken, ook een "begeleiding" in het nieuwe multiculturele stadsgegeven.

2) Vervolgens moet de allochtone bevolking in het stadsleven integreren. Multiculturaliteit of inter-culturaliteit verondersteld interactie, en niet om het met wat overladen termen de zeggen: "segregatie", ghettovorming" enz ... We hebben het hierboven al ruim over deze problematiek gehad. Ook hier zijn er naast de vele zuivere huisvestingsmaatregelen, maatregelen nodig die niet enkel de culturele maar ook sociaal-economische integratie bevorderen.

3) Maar tenslotte moet ook de trend van gentrification aangemoediged worden en gestuurd worden om te vermijden dat gentrification leidt tot verdringing van armere groepen uit welbepaalde wijken en zodoende enkel het probleem van ruimtelijke concentratie van armoede van de ene wijk naar de andere verschuift. Enerzijds kan de overheid via subsidies, via een gunstigere fiscaliteit, maar ook via informatie en promotie buiten het gewest de spontane instroom van een nieuwe middenklasse bevorderen. Ze kan dit zelfs door zelf middenklassewoningen in kansarme wijken neer te zetten. Daartegenover kan de overheid via een een uitbreiding van het sociaal woningpark over heel het gewest en via woonsubsidies op basis van een aantal "armoedecriteria" het verdringingseffect tegengaan om zo tot een grotere diversificatie van het sociaal stadsweefsel te komen.

Ik beweer dus zeker niet dat gentrification de oplossing is voor armoede in Brussel, er zijn vele meer "klassieke" beleidsmaatregelen nodig. Ik heb wel getracht aan te tonen dat gentrification, of beter nog een nieuwe stedelijkheid een antwoord is op het typisch Brussels of stedelijk gegeven van ruimtelijke concentratie van armoede, en dat het een beleid is dat we binnen de gewestelijke bevoegdheden kunnen sturen. Tot slot wens ik ook te benadrukken dat dit een keuze is voor een optimistische en positieve visie op de stad die in schril contrast staat met de vaak bittere beeldvorming rond steden als nesten van armoede, criminaliteit, vervuiling enz ... Het is een optimistische visie die zoveel mogelijk mensen wil betrekken bij de maatschappelijke keuzes. Als je doeltreffend aan politiek wil doen moet je vanuit het optimisme vertrekken.

Ik dank U

Sven Gatz

Volksvertegenwoordiger

19 oktober 2001

Comité van de Regio's van de Europese Unie