Kassa

11 september 2009
Sven Gatz

José Happart doet dezer dagen met luide trom zijn uittrede uit het Waals parlement: zijn uittredingsvergoeding bedraagt meer dan 500.000 euro. Om van te duizelen. Hoe kan dat nu?

De regeling die in alle parlementen van kracht is houdt in dat elk parlementslid per jaar dat hij of zij verkozen is een bepaald aantal maanden opzeg opbouwt voor op het moment dat de parlementaire loopbaan ten einde komt. Dat er überhaupt een opzegtermijn of –vergoeding voor parlementsleden is lijkt me normaal. Dat is in elke sector zo en voor parlementsleden geldt bovendien vaak dat zij na een politieke loopbaan vaak “verbrand” zijn en niet altijd zo makkelijk in de privésector aan de slag kunnen. Dit is wel verbeterd t.o.v. vroeger maar in landen als Engeland of Frankrijk is het veel meer maatschappelijk aanvaard dat politici na hun carrière in andere sectoren terecht kunnen.

De vraag is natuurlijk of die opzeg ongelimiteerd moet zijn. Daarop is mijn antwoord duidelijk: neen. Bij iemand met een heel lange staat van dienst als Happart krijg je natuurlijk een heel lange opzegtermijn (48 maanden in zijn geval) en dus ook –vergoeding.

Ik denk dat een plafond van maximum 24 maanden wel volstaat. Daarnaast wordt Happarts vergoeding blijkbaar ook op zijn laatst verdiende loon inclusief voorzittersvergoeding berekend en dat lijkt me echt nergens voor nodig. Een normale parlementaire wedde als ijkpunt lijkt me meer dan billijk.

Men zou dit soort verrassingen natuurlijk kunnen vermijden als men een soort commissie van externe experts zou inrichten die de vergoeding van parlementsleden zou bepalen (voorstel dat ik bijna tien jaar geleden al eens deed). Nu zijn wij de enige beroepsgroep die zelf haar loon bepaalt en dat is achterhaald.