Sociaal liberalisme: contradictio in terminis of pleonasme?

30 maart 2007
Sven Gatz

Bij de viering van 30 jaar Solidariteit voor het Gezin, een autonome dienst voor thuiszorg gegroeid uit het liberale gedachtegoed, past het om naast enkele praktische vaststellingen ook wat meer theoretische beschouwingen te overlopen. Immers, om de vraag te beantwoorden of sociaal liberalisme bestaat en wat het dan wel inhoudt zou het gemakshalve kunnen volstaan om naar de dagelijkse activiteiten van Solidariteit voor het Gezin te verwijzen. Deze bijdrage zou hier dan kunnen stoppen, aangezien het bewijs van een concreet sociaal-liberaal project zonder meer geleverd is, maar wij zullen van de gelegenheid gebruik maken om toch wat dieper op een en ander in te gaan.
Zo zullen we eerst en vooral proberen te schetsen wat liberalisme en socialisme inhouden om vervolgens enkele vragen te beantwoorden: kan liberalisme sociaal zijn, moet liberalisme sociaal zijn en wat is dat dan, sociaal liberalisme?

1 Liberalisme, één en ondeelbaar of eeuwig tweestromenland?

De vraag stellen naar het wezen van het liberalisme is en blijft een nuttige oefening. Is liberalisme terug te brengen tot vrijheid, is het synoniem van individualisme, het fundament voor een economisch systeem als het kapitalisme?
Van bij het ontstaan van het liberalisme als filosofisch onderbouwde stroming, toen men zich op het Europese vasteland aan de uitlopers van het middeleeuws feodalisme ontworstelde en Angelsaksische denkers vanuit hun perspectief vorm gaven aan de liberale axioma’s, is er sprake van twee hoofdvormen: het ontplooiingsliberalisme en het utilitair liberalisme. Al naargelang hun opvattingen over mensbeeld, de vrijheid en de rol die ze aan de overheid toewijzen lopen de meningen uiteen.

Het utilitair liberalisme, gedragen door eminente denkers als o.m. Locke, Hume, Montesquieu en Smith vertrekt vanuit de menselijke voorkeuren: wat willen mensen verwezenlijken? De politiek zou volgens de utilitaristen de hinderpalen die hierbij in de weg staan moeten wegnemen. Geen overheidsbemoeienis dus. Dit is wat men een “negatieve” vrijheidsopvatting noemt. Daartegenover staan de ontplooiingsliberalen, eveneens vertegenwoordigd door invloedrijke filosofen als daar zijn: Kant, J.S. Mill, Popper en Rawls. Zij gaan een stapje verder dan de utilitaire liberalen. Ja, mensen moeten uiteraard de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen maar het is juist de taak van de politiek om die ruimte, die mogelijkheden te vergroten. De politiek moet m.a.w. het kader, de voorwaarden creëren opdat mensen hun talenten kunnen ontplooien. Dit noemt men het “positieve” vrijheidsconcept.
Hoezeer de ontplooiingsliberalen ook het belang van zelfregulerende processen erkennen, toch zijn ze ervan overtuigd dat een aantal noodzakelijke publieke goederen zoals bijvoorbeeld onderwijs, cultuur en de sociale zekerheid niet louter aan het vrije spel der maatschappelijke krachten kan overgelaten worden. Zij pleiten dan ook voor een actievere staat dan de utilitaire liberalen die voorstanders zijn van de beperking van de staatsmacht, van de scheiding der machten, van de verdediging van de rechtsstaat en van het vrijwaren van de private levenssfeer van de individuen.

In elk geval kunnen we wel stellen dat liberalen in het algemeen, ongeacht de stroming waar ze toe behoren, uitgaan van een optimistisch mensbeeld, van de individuele vrijheid als permanente motor die niet alleen leidt tot persoonlijke ontplooiing en geluk maar ook tot verandering van maatschappelijke processen. Dat is een essentiële notie voor wie het liberalisme wil doorgronden en begrijpen. De vrije mens is de mens die het meest bijdraagt tot een vrije samenleving. In de praktijk kunnen we daar wel aan toevoegen dat sommige mensen slecht kunnen omgaan met vrijheid, maar dat doet m.i. niets af aan de algemene stelling dat eigenbelang goed kan zijn voor het algemeen belang.
Of zoals Ralf Dahrendorf al stelde: in het liberalisme gaat het om twee dingen, in de eerste plaats de bescherming van het individu tegen allerlei mogelijke beperkingen die van staatswege kunnen opgelegd worden, in de tweede plaats zo veel mogelijk kansen geven aan zo veel mogelijk individuen. Volgens Dahrendorf doen de liberalen die enkel oog hebben voor het eerste aspect in feite niet veel meer dan de gevestigde belangen van de bezittende klasse verdedigen.

2 Socialisme: gelijkheid of gelijke kansen?

Als de basis van het liberalisme in de 17e eeuw gelegd werd dan komt het socialisme 100 jaar later tot bloei. De tijdsgeest is daar niet vreemd aan: in het midden van de 18e eeuw komt de industriële revolutie op gang in Engeland en zij verovert stormenderhand Europa doorheen de 19e eeuw. De idealen van de Verlichting zijn vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid (dat laatste kunnen we misschien beter vertalen naar een hedendaagser begrip als solidariteit). Het liberalisme legt de nadruk op het eerste, het socialisme op de volgende twee. Anders gezegd en zoals genoegzaam bekend: voor het socialisme primeert het collectief, voor de liberalen het individu.

Historisch komt het socialisme in de eerste plaats in het verweer tegen de mensonwaardige arbeidsomstandigheden waarin grote delen van de bevolking terecht komen. Het socialisme vandaag wil nog steeds opkomen voor de zwakkeren en minstbedeelden in de samenleving en gaat niet zozeer uit van de vrije mens maar houdt zich in de eerste plaats bezig met hoe men de “onvrije” mens een menswaardig bestaan kan geven. Kan men in die zin stellen dat het liberalisme een offensieve en ambitieuzere manier van denken is, daar waar het socialisme zich defensiever en behoudender opstelt? Als men deze vraag bevestigend zou beantwoorden is dit niet zozeer een waardeoordeel dan wel een vaststelling.
Erst das Fressen und dann die Moral? Het is zeer de vraag of louter materialistische benadering van het socialisme er nog de overheersende stroming is. De benadering waarbij men het gemeenschappelijk beheer van de productiemiddelen als zaligmakend beschouwt en waarbij men die productie dan nog uitsluitend in functie stelt van het louter voldoen aan de menselijke noden lijkt achterhaald, niet alleen binnen de socialistische beweging zelf maar ook door de naoorlogse consumptiemaatschappij. Als kanttekening hierbij kunnen we wel zeggen dat deze principiële vorm van socialisme in de Westerse geïndustrialiseerde wereld wel geëvolueerd is tot een meer pragmatische sociaal-democratische variant, maar binnen de internationale context van het anti-globalisme schijnt de exclusief collectivistische benadering weer terrein te winnen. Spijtig genoeg heeft het verleden al bewezen dat een te ver doorgedreven vorm van gemeenschapsdenken de vrijheid doet bezwijken onder collectieve middelmatigheid.

Bij de socialisten is ook de notie van herverdeling een soort ethische premisse (met de gratispolitiek als meest recente marketingtruc), ingegeven door een gelijkheidsideaal. Dat gelijkheidsconcept is wel een nobel uitgangspunt maar kan soms zeer remmend werken op de ontplooiing en de ontwikkeling van de mens, die voor de liberalen van levensbelang is. De klassieke socialistische beweging poneert die gelijkheid als een absoluut gegeven, waarmee men in zijn zuiverste vorm bedoelt dat de mens gelijk geboren wordt, gelijk moet leven en gelijk moet sterven. Dit is misschien enigszins kras uitgedrukt maar het is belangrijk de notie van gelijkheid scherp te stellen om het onderscheid met het concept van gelijke kansen (zie verder) beter te kunnen maken.
Een val waarin veel socialisten ook trappen is die van de “armenpolitiek”. Bijstand verlenen aan hen die het nodig hebben is natuurlijk zonder meer nodig, maar de vraag is of je een rechtvaardig en efficiënt beleid daartoe kunt herleiden. Concreet en bij wijze van voorbeeld: stop je elke eurocent die vrijkomt in sociale huisvesting of reserveer je een deel van die beleidsruimte ook voor het aantrekken van middenklassers als je weet dat die laatste je fiscaal draagvlak als overheid vergroten waardoor je daarmee dan weer nieuw beleid kunt uitwerken voor de sociaal zwakkeren? Een aantal socialisten lijkt er nog steeds niet van doordrongen te zijn dat stabiele welvaart voor het grootste deel van de bevolking hand in hand gaat met een systeem van vrije markteconomie ingekapseld in een parlementaire democratie.

Steve Stevaert heeft ooit gezegd dat het socialisme een hogere politieke levensvorm is dan het liberalisme. Als dat al zo is ben ik geneigd het sociaal liberalisme een hogere politieke levensvorm te noemen dan het socialisme.

3 Kan liberalisme sociaal zijn?

De argeloze lezer zal zich inmiddels misschien afvragen of het nog goed komt tussen liberalisme en socialisme na al het voorgaande. Vergis u niet, hoewel er grote verschillen en zelfs tegenstellingen zijn tussen beide is er eveneens sprake van grote raakvlakken. Hoe groot de deelverzameling tussen hen dan wel is blijft ook na het lezen van deze bijdrage wellicht permanent onderwerp van debat, maar in wat volgt willen wij alvast uitzoeken wat de interferentie, de overlapping en de wederzijdse beïnvloeding tussen socialisme en liberalisme juist inhoudt en hoever ze reikt. Daarvoor wil ik eerst onderzoeken onder welke voorwaarden liberalisme überhaupt sociaal kàn zijn.
 
De sleutelbegrippen tot het beantwoorden van deze vraag zijn: gelijke kansen en rechtvaardigheid. Hier heeft John Rawls met “A Theory of Justice” baanbrekend werk verricht.
Rawls ging op zoek naar een rechtvaardigheidsbeginsel in een pluralistische samenleving, een verdelingscriterium waar iedereen zich achter kan scharen, ongeacht de eigen positie of belangen. Daartoe voerde hij een gedachte-experiment uit waarbij hij ons vraagt ons te verplaatsen naar een hypothetische beginsituatie van het maatschappelijk leven: welke rechtvaardigheidsregels zouden wij verkiezen als we niet vooraf weten in welke positie we later in de samenleving terecht komen? M.a.w., waarom zouden individuen voor een structurele solidariteit met elkaar en welvaartsherverdeling kiezen en hiervoor een stuk autonomie opgeven? Rawls’ antwoord en betoog is helder en overtuigend: wij kiezen voor die solidariteit, voor die verdelingsregels die ervoor zorgen dat, zelfs als wij aan de onderkant van de samenleving zouden terecht komen, wij toch nog recht hebben op een behoorlijk levensminimum (een behoorlijk inkomen, toegang tot goed onderwijs en gezondheidszorg,…). Een maatschappij die aan deze principes beantwoordt is rechtvaardig en daardoor ook aanvaardbaar en verdedigbaar.

Deze rechtvaardigheidstheorie doorstaat de proef van de praktijk wanneer men ze koppelt aan het emancipatorisch verhaal van de gelijke kansen. Gelijke kansen zijn niet hetzelfde als gelijkheid. Bij gelijke kansen gaat men er niet van uit dat iedereen gelijk geboren wordt en gelijk sterft, men houdt integendeel rekening met de verschillen die er sowieso zijn en mogen zijn: alleen moet wel gegarandeerd worden dat eenieder voldoende gelijke kansen krijgt (en grijpt) om onverantwoorde ongelijkheid weg te werken. Rawls vertaalt dit als volgt: er is een vrijheidsbeginsel en een principe van billijke verwervingskansen. Met het eerste bedoelt hij dat iedereen recht heeft op zo uitgebreid mogelijke rechten en vrijheden, voorzover die verenigbaar zijn met die van anderen. Met het tweede bedoelt hij dat sociaal-economische ongelijkheden alleen dan te rechtvaardigen zijn als er een systeem bestaat van gelijke kansen voor iedereen.
Dit kader, deze koppeling van rechtvaardigheid en solidariteit aan gelijke kansen lijkt me een eerste noodzakelijke en positieve voorwaarde (en wellicht de belangrijkste) waaronder liberalisme sociaal kan zijn.

Een tweede voorwaarde die m.i. vervuld moet zijn wil men van sociaal liberalisme kunnen spreken is eerder een negatieve voorwaarde: een gemeenschap mag nooit opgebouwd worden ten koste van individuele basisrechten. Hier is natuurlijk ruimte voor discussie. Zijn mensen wel het evenbeeld van het nogal abstracte en individualistische mensbeeld dat Rawls ons voorhoudt of is het niet veeleer zo dat mensen door en door sociale wezens zijn die pas door hun lidmaatschap van (een) gemeenschap(pen) een moreel besef ontwikkelen?
Hoe dan ook, wij menen bij hierbij voldoende argumenten aangedragen te hebben voor de loutere mogelijkheid van een liberalisme dat sociaal ingekleurd en verankerd is.

4 Moet liberalisme sociaal zijn?

Nu we nagegaan hebben of het mogelijk is dat liberalisme sociaal is wil ik nog een stap verder gaan: moét liberalisme niet sociaal zijn? M.a.w. de vraag naar de wenselijkheid van een sociaal liberalisme, naar de uitdaging en de opdracht voor het liberalisme om ook daadwerkelijk sociaal te zijn. Waarom moet liberalisme sociaal zijn?

Het antwoord hierop ligt besloten in het onderscheid tussen wat men het procedureel en het substantief vrijheidsconcept noemt. Dit onderscheid is niet nieuw, het bestond al toen de utilitaire en de ontplooiingsliberalen hun visie op het liberaal gedachtegoed ontwikkelden. De eerste waren van oordeel dat het voldoende was om een aantal rechten en vrijheden in grondwet en andere wetten te stipuleren zodat voor hen daardoor alleen al de samenleving vrij was. De ontplooiingsliberalen of radicalen waren de mening toegedaan dat de aanwezigheid van rechten en vrijheden in wetteksten een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is voor een vrije maatschappij. De overheid moet volgens hen net een aantal mechanismen in werking stellen opdat die rechten en vrijheden ook afgedwongen worden, zodat ze werkelijkheid worden en niet louter op papier staan.

De vraag is dus niet of vrijheid goed is, maar wel wat je met die vrijheid doet en hoe je in de realiteit een vrije wereld organiseert. Is vrijheid gewaarborgd als ze in wetteksten verankerd is en is het vervolgens een puur individuele keuze wat men al dan niet met die vrijheid aanvangt of is vrijheid pas reëel als burgers op een zo evenwichtig mogelijke manier hun capaciteiten kunnen ontplooien en zo kunnen uitgroeien tot volwaardige deelnemers aan het politieke en culturele leven? Ik ben ervan overtuigd dat liberalisme enkel in theorie sociaal is in de eerste hypothese en dat een daadwerkelijk sociaal liberalisme pas bestaat in de tweede hypothese.

Ook op deze kwestie heeft Rawls zijn licht laten schijnen. Hij was van oordeel dat de overheid weliswaar neutraal moet zijn maar dat zij tegelijkertijd een aantal “primaire goederen” moet leveren waar de burgers vrije toegang toe hebben. Die goederen zijn 1 elementaire rechten en vrijheden, 2 vrijheid van beweging en beroepskeuze, 3 toegang tot politieke en economische machtsposities, 4 inkomen en 5 de maatschappelijke basis voor het verwerven van zelfrespect. Merk op dat zgn. conservatieve liberalen zich doorgaans zullen beperken tot de eerste twee primaire goederen als overheidsopdracht terwijl de zgn. progressieve liberalen in hun maatschappijproject veelal uitdrukkelijk voor alle vijf gaan.
Amartya Sen vult Rawls’ eerder afstandelijke benadering aan door ook te wijzen op het belang van de mogelijkheden waarover een persoon of een groep in een samenleving beschikt. Sen stelt dat men rekening moet houden met objectief waarneembare verschillen tussen mensen (en groepen), die ervoor zorgen dat niet iedereen dezelfde mogelijkheden heeft. Een overheid moet niet alleen primaire goederen garanderen maar ook kijken naar de reële gevolgen van haar beleid en in hoeverre die de mogelijkheden van burgers, individueel of in groep beïnvloeden.

Sociaal liberalisme kan zich voor mij niet beperken tot een terughoudende overheidsrol waarbij alles vervolgens gedetermineerd wordt door individuele keuzes en mogelijkheden. Dit blijft natuurlijk de basis maar liberalisme kan maar pas sociaal zijn (en moét juist daarom sociaal zijn) als iedereen ook echt de mogelijkheid heeft om keuzes te maken en er vruchten van te plukken. Vrijheid is gelijk aan keuze, akkoord, maar nog beter is dat vrijheid hetzelfde is als keuzes kùnnen maken. Hoe meer keuzes, hoe meer kansen, hoe meer vrijheid. Hoe meer levenskansen, des te liberaler de samenleving.

5 Wat is sociaal liberalisme?

Hoewel de verschillende elementen in wat voorafging hopelijk meer duidelijkheid gebracht hebben over het wezen van het sociaal liberalisme (vrijheid, verantwoordelijkheid en gelijke kansen) wil ik hier bij wijze van besluit toch nog enkele zaken scherp stellen.
 
Sociaal liberalisme is geen fusie van socialisme en liberalisme, maar creëert wel een –soms smal- loopbruggetje tussen beide. Sociaal liberalisme gaat uit van de stelling dat vrijheid en gelijkheid niet botsen, goed wetend dat ze soms onzacht met elkaar in aanraking komen. Sociaal liberalisme staat ook solidariteit niet in de weg. Of om het in de geest van de Franse revolutie te zeggen: door het gelijke kansenverhaal slaat het sociaal liberalisme een brug tussen vrijheid en solidariteit.

Een ander belangrijk element in het sociaal liberalisme is de notie van pluralisme. Het vrijmaken van de markt is geen doel op zich, maar de ervaring leert dat de vrije maatschappelijke dynamiek een belangrijke voorwaarde is voor de vrijwaring van het pluralisme. Evenzeer is ook overheidstussenkomst geen doel op zich, maar weten we dat om de positie van het kansarm deel van de bevolking te verbeteren een actieve overheidsinterventie in het economisch leven vaak nodig is.

Ook de relatief ideologie-neutrale opstelling van het sociaal liberalisme treft. Ja, het is een ideologie in die zin dat het vanuit een duidelijk liberaal begrippenkader vertrekt, maar evengoed neemt het afstand van de doctrinair zuiver utilitaire vorm. Pragmatisme en doelmatigheid zijn absoluut niet vreemd aan sociaal liberalen.

Tot slot weze nog opgemerkt dat sociaal liberalen de radicale democratisering van allerlei aspecten van de samenleving hoog in het vaandel voeren: onderwijs, burgerschapsvorming, inspraak, referendum, participatie, medebeslissing,…

Als uitsmijter nog even de kwestie over de naamgeving. Is het nu sociaal, links dan wel progressief liberalisme? Of moeten we over radicalisme spreken?
Er zijn wel kleine verschillen onderling en andere accenten al naargelang men over de ene of de andere variant praat, maar in de praktijk, met de twee voeten in de klei van het dagelijkse politieke bestaan zijn het eerder takken van dezelfde boom die duidelijk in dezelfde richting groeien, dicht bij elkaar dan nog.
Sommigen zullen zelfs zonder meer zeggen dat het ware liberalisme het sociaal liberalisme is (en dat ze dus in feite samenvallen, gewoon hetzelfde zijn) en dat het utilitaire liberalisme meer een conservatief dan een liberaal ideeëngeheel is. Maar voor die discussie verwijs ik u naar het eerste deel van deze tekst. En zo is de cirkel rond.


Sven Gatz
Vlaams volksvertegenwoordiger
Brussel, 28 juli 2006

Noot: deze tekst is gedeeltelijk gebaseerd op de teksten van “Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en oriëntatiepunt”, Sven Gatz en Patrick Stouthuysen (red.), Brussel, VUBpress, 2001 en op Het Blauwe Boekje, Sven Gatz en Patrick Vankrunkelsven, Leuven, Van Halewyck, 2003.