Zoals bekend ben ik een links-liberaal, een sociaal-liberaal, een progressief liberaal, maar u mag me ook gewoon liberaal noemen. Mijn “natuurlijke” coalitie is dan ook Paars, dieppaars, dat is geen geheim. En toch ben ik van oordeel dat wat het land nu nodig heeft een rooms-blauwe regering is. Geen zogenaamde centrum-rechtse ploeg, want dit hoeft geen rechts project te zijn. Bij mijn weten heeft het ACW een behoorlijke vinger in de pap bij de Christen-Democraten en Open Vld is een progressieve centrumpartij. Rooms-blauw dus. Paars was goed, maar na acht jaar was de rek er wat uit en bovendien heeft die combinatie geen draagvlak meer bij de kiezer.
Wat we zeker kunnen missen als kiespijn is een tripartite van de klassieke partijen: oranje-rood-blauw. Dat is immers de beste garantie op ‘splendid immobilism’ ofte compromisbeleid in het kwadraat.
Een kritisch officieus rapport van de Nationale Bank stelt dat er moet ingegrepen worden in ons sociaal-economisch bestel en ook andere toonaangevende economen geven aan dat de hoogconjunctuur waar we momenteel al enige tijd in vertoeven in haar laatste weken en maanden zit. Hoewel België en Vlaanderen onder Paars een degelijk economisch beleid kenden moeten we ons hoeden voor een sfeer van contentement. Het alarmpeil van het Nationale Bank-rapport mag dan wat aan de hoge kant liggen, het is wel duidelijk dat we misschien te veel het gevoel hebben het intern niet zo slecht te doen, terwijl ons concurrentienadeel op internationaal vlak, in Europa maar zeker daarbuiten, steeds groter wordt.
Dus dient een rooms-blauw kabinet noten te kraken op economisch vlak en in het domein van de migratie en de integratie. Deze twee zaken zijn touwens nauwer met elkaar verbonden dan men zou denken.
Economisch zie ik twee hete hangijzers: een tweede Generatiepact en een doorgedreven activeringsbeleid voor werkzoekenden. Het eerste Generatiepact was een noodzakelijke maar bescheiden aanzet om pakweg vijftigplussers in de arbeidsmarkt te houden. Op dat vlak scoren we internationaal immers belabberd. We zullen dus zeker nog bijkomende stappen moeten zetten, niet om mensen te pesten maar in het belang van onze huidige welvaart en die van de volgende generaties. Daarnaast is er geen ontkomen aan: het debat over de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen moet opgestart worden, voorzichtig en niet populistisch maar wel in alle duidelijkheid: wie kan werken moet werken en moet ook bijdragen aan de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid, een prachtig systeem dat onder druk staat en dat enkel overeind kan blijven mits een nieuw evenwicht tussen rechten en plichten. Overigens is deze discussie in al onze buurlanden al aangevat en vaak ook al beslecht. Het Paarse concept van actieve welvaartsstaat is niet begraven.
Om de economie zuurstof te geven is bovendien een toekomstgericht juridisch kader voor een beperkte economische migratie nuttig en nodig. Gecontroleerde en gerichte migratie kan een gedeeltelijk antwoord voor onze vergrijzing zijn en zeker een oplossing betekenen voor een toenemend aantal knelpuntberoepen waar we mee geconfronteerd worden. Voorwaarde is wel dat de migratie planmatig gebeurt, met mogelijkheid om in te spelen op de economische conjunctuur, en dat er een procedure komt waarbij de bevolking over de krijtlijnen inspraak krijgt. Zo kan een migratiebeleid een groter maatschappelijk draagvlak krijgen. Om dat draagvlak te verstevigen moeten zeker een aantal scheefgroeiingen aangepakt worden: meer economische migratie moet bijvoorbeeld gepaard gaan met minder migratie door gezinshereniging, of toch minstens een strenger beleid op dit vlak. Migratie duidelijker koppelen aan inburgering en de Snel-Belgwet matigen is hier ook onlosmakelijk mee verbonden. Wie van België en Vlaanderen een open land en regio wil maken voor de komende decennia doet dit immers best op basis van strakke en duidelijke afspraken en niet louter met een open deurenpolitiek van we-zien-wel.
Voor de goede verstaander zal het inmiddels wel al duidelijk zijn: een beleid waarvan ik de krijtlijnen hierboven aangaf is misschien nog net uitvoerbaar met een moderne Vlaamse sociaal-democratische coalitiepartner die ik op dit vlak het voordeel van de twijfel gun, maar is zonder meer onmogelijk in de steigers te zetten met de PS, de partij die op sociaal-economisch vlak de meest conservatieve van Europa mag genoemd worden (en die daar schijnbaar ook nog trots op is) en die migratie overigens uitsluitend benadert vanuit een stedelijk electoraal cliëntelisme.
De enige logische conclusie kan dan ook zijn: de kiezer heeft een signaal gegeven voor een samengaan van Christen-Democraten en Liberalen, voor een regering die op humane en humanistische wijze de uitdagingen die zich vandaag aandienen krachtig kan beantwoorden.
Klein detail bij dit alles: een staatshervorming op de sporen zetten die de regio’s bijkomende slagkracht en tegelijk ook de federatie versterkt. Maar soit, die lat is door het winnende kartel erg hoog gelegd en het is in eerste instantie aan hen om er met een Fosbury-flop over te geraken. Of niet.
Sven Gatz
Vlaams Volksvertegenwoordiger
Open Vld |